Een stukje geschiedenis
verteld door Fred Hisschemöller

Gedenksteen 1950 (Klik op foto voor vergroting)

In 1961 trokken wij het Burg. v. Heemstrakwartier in, naast de poort in het blok 'koophuizen' aan de kant van de Hessenweg. Het kwartier zag er toen niet veel anders uit dan nu. Bomen zijn hoger geworden, wat oude bomen zijn verdwenen. Het was toen al een groene wijk en dat is het nog steeds. De koophuizen waren lang niet allemaal koophuizen: er waren mensen die een huis erfden, of kochten als belegging en het dan aan bewoners verhuurden.
De aanleg van het kwartier moet dateren uit de dertiger jaren. Ons huis is van 1937. De Bilt zag er toen wat dorpser uit dan nu. Aan de Waterweg waren de huizen er al die er nog staan, langs de Hessenweg stonden kleine hovenierswoningen, waarvan er nog een paar over zijn. Tussen die twee wegen en tussen de Looijdijk en de Groen v. Prinstererweg lag een grote lap weiland. Daar heeft de gemeente in de jaren dertig het stratenplan aangelegd dat nu nog ons kwartier vormt. Langs die nieuwe straten werden hier en daar huizenblokken gebouwd, die (zie boven) nu nog worden aangeduid als de 'koophuizen'.
De bedoeling zal wel geweest zijn om het wijkje op den duur vol te bouwen met gelijksoortige huizen, die men toen middenstandswoningen of zelfs wel 'herenhuizen' noemde. Met vermoedelijk een plantsoen in het midden, een beetje zoals dat nu nog te zien is bij Park Arenberg. En zoals er nog een stukje plantsoen ligt naast de Groen v. Prinsterer school.
Maar het was crisis in de dertiger jaren, de mensen hadden niet genoeg geld en de bouwer raakte zijn huizen, die ongeveer ƒ 5000,= moesten opbrengen, niet goed kwijt. Hij ging zelfs failliet en is toen maar, om de schade te beperken, in een van de door hem gebouwde huizen gaan wonen. Wij hebben hem en zijn vrouw nog goed gekend.
Toen de oorlog uitbrak was het kwartier nog lang niet volgebouwd. En in het midden lag nog altijd een groot stuk grasland. Ik heb me laten vertellen, door iemand die zijn kinderjaren in het kwartier had doorgebracht, dat op een gegeven ogenblik de Duitse Wehrmacht op dat grasland, tussen de huizen in dus, een batterij luchtafweergeschut plaatste, waarmee men 's nachts, als geallieerde vliegtuigen overkwamen, aan het knallen ging. Gelukkig hebben geallieerde jagers nooit op die afweerkanonnen gedoken.
Na de oorlog was er een heel andere situatie en blijkbaar heeft men de plannen gewijzigd. Er was een enorm tekort aan woningen in heel Nederland en ook in De Bilt moest snel gebouwd worden. Men besloot om een woningbouwvereniging het Van Heemstrakwartier te laten volbouwen met huurwoningen. Dat werden grotendeels duplexwoningen. Dat waren kleine woningen, die in twee lagen gebouwd werden, elk met een eigen voordeur, maar zo in elkaar geschoven dat ze later, als het huizentekort weer over zou zijn, gemakkelijk tot één woning voor een fors gezin gemaakt konden worden. Dat laatste is er niet van gekomen. In de eerste plaats duurde de woningnood veel langer dan men kort na de oorlog aannam. In de tweede plaats nam de gezinsgrootte af, zodat de behoefte aan zulke grote woningen ook minder werd. En dus bleven de woningen, op een paar na, gescheiden. Als je goed zoekt, kun je in het Van Heemstrakwartier een paar voorbeelden vinden van huizen, waarin grote gezinnen wonen, waarbij één voordeur is dichtgemaakt en de boven- en benedenwoning gecombineerd zijn.
Die naoorlogse manier om de wijk vol te bouwen heeft wel gevolgen gehad. Ten eerste werd ons kwartier een wijk met een hoge bevolkingsdichtheid. Op een klein oppervlak wonen gewoon veel mensen bij elkaar, terwijl het toch om laagbouw gaat. Dat betekent ook een hoge autodichtheid, men kan de auto's nauwelijks kwijt. Maar dat is iets waaraan men kort na de oorlog echt geen moment gedacht heeft. Men was al blij als men een fiets had en daarmee kon men natuurlijk altijd achterom naar de schuur.
In de tweede plaats ontstond er een gemengde wijk, waar huurders en kopers door elkaar woonden en nog altijd wonen. In de eerste twintig jaren na de oorlog kwam dat in hoofdzaak neer op arbeiders en middenstanders. Nu zien we dat in de huurwoningen veel allochtonen wonen en dat de wijk dus ook in ander opzicht 'gemengd' is geraakt. Mijn vrouw en ik hebben dat altijd een van de charmes van ons kwartier gevonden, maar het heeft wel betekend dat de prijzen van de koopwoningen wat zakten t.o.v. vergelijkbare woningen in andere wijken, want de huizen waren niet meer helemaal 'op stand' en zoiets heeft natuurlijk zijn prijs.
En in de derde plaats was er het probleem van de overgebleven ruimte in het midden van het kwartier. Toen alle blokken gebouwd waren bleef er, tussen de achtertuinen, een stuk grond over, Men vond daar wel een bestemming voor. Toen wij in 1961 in ons huis trokken, lag er achter de binnenblokken een complete ouderwetse speeltuin, met wippen, schommels, zandbakken en wat dies meer zij. Die speeltuin werd beheerd door een speeltuinvereniging, waar je als bewoner van het kwartier lid van kon worden. Het bestuur van die vereniging benoemde een gepensioneerde, die dat leuk vond en wel een zakcentje wilde verdienen, tot toezichthouder en die hield vanuit een houten hokje in de speeltuin het spul in de gaten. Vanuit de vereniging werd ook een wandelgroep georganiseerd. Geregeld liep een groep kinderen uit de wijk, begeleid door ouders, langs wegen en door bossen in de buurt. In uniform, een soort van wit matrozenpak, met op het hoofd een rond petje zoals Amerikaanse matrozen dragen. Elk jaar werd er door de wandelgroep deelgenomen aan de avondvierdaagse en dat ging dan om tientallen kinderen.
Daar is allemaal een eind aan gekomen in het begin van de zeventiger jaren. Hoe dat gegaan is kan ik niet vertellen, want mijn vrouw en ik hebben de jaren '71, '72 en '73 in Suriname doorgebracht. Toen wij terugkwamen was er geen speeltuin meer en geen wandelclub. Ook de vereniging was spoorloos verdwenen, er was in enkele jaren nieuwe tijd aangebroken. Misschien weet een ander nog hoe dat gegaan is.

top